Begin 2026 verscheen in Archives of Sexual Behavior een kleine, weinig opgemerkte studie van de Spaanse onderzoekers Pablo Expósito-Campos, Karmele Salaberria en José Ignacio Pérez-Fernández. Zij vergeleken 29 transgender/genderdiverse (TGD) volwassenen met 22 volwassenen die hun gendertransitie hadden gestaakt of teruggedraaid, en vroegen zich af: verschilt de mentale gezondheid van deze twee groepen wezenlijk van elkaar? De hoofdconclusie klinkt geruststellend — 'geen significante verschillen'. Maar in de cijfers zelf staan twee uitzonderingen die precies weerspreken wat de kop suggereert.

Wat de studie onderzocht

Tussen januari 2023 en juni 2024 wierven de onderzoekers 51 Spaanstalige volwassenen via zelfhulpgroepen, community-organisaties en online platforms. Via semigestructureerde interviews en vragenlijsten brachten ze transitiegeschiedenis, psychiatrische diagnoses en ingrijpende levenservaringen in kaart. Het is een klein, verkennend onderzoek met een niet-representatieve steekproef (sneeuwbalmethode) — de auteurs zijn daar zelf transparant over. Dat maakt de bevindingen een signaal, geen uitspraak die zomaar naar de hele populatie te vertalen is.

Het gerapporteerde hoofdresultaat: nauwelijks verschil

Op de meeste sociodemografische en mentale-gezondheidsvariabelen vond het onderzoek inderdaad geen statistisch significant verschil tussen de twee groepen. Beide groepen droegen een zware psychiatrische last: 98 procent van alle deelnemers had ooit contact gehad met een ggz-hulpverlener, 52,9 procent had een formele psychiatrische diagnose (gemiddeld 2,19 diagnoses per persoon), 54,9 procent rapporteerde ooit suïcidale gedachten en 21,6 procent had ooit een suïcidepoging gedaan. Bijna de helft (49 procent) had te maken gehad met pesten, bijna een op de vijf (19,6 procent) met seksueel misbruik. Op geen van deze punten verschilden TGD-deelnemers en detransitioners significant van elkaar — de auteurs concluderen daaruit een 'afwezigheid van verschillen in levenservaringen en mentale gezondheid'.

Wat die conclusie verhult

Maar de studie rapporteert ook twee uitkomsten die wél significant verschilden — en die zijn precies de uitkomsten die er in de praktijk het meest toe doen. Detransitioners begonnen hun medische transitie op een gemiddelde leeftijd van 19,7 jaar, tegenover 23,6 jaar bij de TGD-groep die niet terugkwam op de transitie (p=.017). En 84,2 procent van de detransitioners rapporteerde hormoongerelateerde bijwerkingen, tegenover 54,2 procent van de TGD-deelnemers (p=.043) — een verschil van dertig procentpunt. Tegelijk gaf 72,4 procent van de TGD-groep aan interesse te hebben in verdere medische interventies, tegenover slechts 22,7 procent van de detransitioners (p<.001).

Met andere woorden: wie jonger begon aan medische transitie, liep aantoonbaar meer risico op bijwerkingen én meer risico om er later spijt van te krijgen of terug te keren. Dat is geen bijzaak naast de hoofdconclusie — het is een van de centrale vragen in het hele debat over jeugdtransitiezorg, en juist deze studie levert er cijfermatige steun voor.

Een patroon dat vaker terugkomt

Dit spanningsveld — een gerapporteerde 'geen-verschil'-conclusie die bij nader inzien belangrijke uitzonderingen bevat — is geen toeval. Onderzoek naar detransitie loopt keer op keer tegen hetzelfde probleem aan: een totaalcijfer dat geruststelt, terwijl de onderliggende subgroepen sterk uiteenlopen. Diezelfde onderliggende diversiteit is eerder op Transplek beschreven bij sekseverschillen in zelfbeschadiging bij adolescenten met genderdysforie, en bij de oververtegenwoordiging van autisme in genderklinieken: telkens verdwijnt een klinisch relevant verschil zodra onderzoekers alleen naar het gemiddelde kijken. Ook de discussie over hoe vaak spijt van transitie precies voorkomt, kent dit patroon — op Transitieschade is al eerder uitgezocht waarom veelgebruikte lage spijtcijfers zelf ter discussie staan bij de onderzoekers die ze publiceerden.

Wat dit betekent voor de zorgpraktijk

Voor ouders en clinici is de praktische les niet dat detransitioners 'psychisch zieker' zijn dan andere transgender personen — dat weerlegt deze studie juist. De les is dat leeftijd bij aanvang van medische transitie en de kans op fysieke bijwerkingen twee aparte knoppen zijn waar een zorgvuldig traject apart op moet letten, los van de vraag hoe het met iemands psychische klachten in bredere zin gaat. Een jongere die op haar negentiende aan hormonen begint, loopt blijkens deze data een reëel hoger risico op bijwerkingen en op latere twijfel dan iemand die pas na haar drieëntwintigste begint. Dat verdient een plek in het gesprek over informed consent, ook wanneer een studie op het eerste gezicht 'geen verschil' als hoofdboodschap meegeeft.

Bronnen

  • Expósito-Campos, P., Salaberria, K., Pérez-Fernández, J.I. (2026). Sociodemographic and Mental Health Characteristics of Adults with Different Gender Trajectories. Archives of Sexual Behavior. pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC13275782
  • Hetzelfde onderzoek, samenvatting: PubMed 42236636
Nienke Vogelaar

Nienke Vogelaar

Redactie

Veelgestelde vragen

Vond deze studie dat detransitioners psychisch slechter af zijn dan transgender personen?

Nee, juist niet. Op de meeste mentale-gezondheidsvariabelen — psychiatrische diagnoses, suïcidaliteit, middelengebruik — vond het onderzoek geen significant verschil tussen de twee groepen. Beide groepen droegen een zware psychiatrische last.

Wat was dan wel significant anders bij detransitioners?

Detransitioners begonnen gemiddeld op hun 19,7e met medische transitie tegenover 23,6 jaar bij de vergelijkingsgroep, en 84,2 procent van hen rapporteerde hormoongerelateerde bijwerkingen tegenover 54,2 procent van de andere groep.

Kun je deze resultaten vertalen naar de Nederlandse situatie?

Met voorzichtigheid. Het gaat om een kleine, Spaanstalige steekproef van 51 mensen, geworven via zelfhulpgroepen. De omvang en samenstelling maken het een signaal dat om groter vervolgonderzoek vraagt, geen direct te generaliseren uitkomst.