Jongens en gender — early en late onset
Bij biologische jongens en mannen tekenen zich twee patronen af: een vroeg-onset groep die zich vanaf de kleuterleeftijd vrouwelijk gedraagt en bij volwassenheid meestal homoseksueel wordt, en een laat-onset groep volwassen mannen met een autogynefiele component. Blanchard documenteerde dit verschil in 1989; het is sindsdien herhaaldelijk bevestigd.
Vroege onset
Begint in de kleutertijd. Zonder medisch ingrijpen verdwijnt de dysforie bij circa 80 procent in de puberteit en blijven jongens over die homoseksueel zijn (Steensma, 2013).
Late onset
Begint in volwassenheid, vaak na jaren cross-dressing met seksuele component. Blanchard (1989) noemde dit autogynefilie: een parafilie, geen identiteit.
Twee categorieen
De twee groepen verschillen in leeftijd van onset, seksuele orientatie en motivatie. Ze vragen om verschillende beoordeling en verschillende zorg.
Waarom dit onderscheid hoort te tellen
Bij prepuberale jongens met vroege onset is hoge desistance gedocumenteerd in zes follow-up studies (Zucker-review, 2018). Wie deze jongens automatisch sociaal en medisch laat transitioneren onderbreekt de natuurlijke ontwikkeling waarin de meesten gewoon homoseksuele mannen worden. Bailey en Triea (2007) waarschuwden dat het affirmatieve model in deze groep functioneert als een vorm van gay conversion.
Bij volwassen mannen met late onset is het verhaal anders. Lawrence (2013) interviewde honderden van hen en documenteerde de autogynefiele kern: seksuele opwinding door het idee van zichzelf als vrouw, vaak met decennia cross-dressing geschiedenis. Bailey beschreef hetzelfde patroon in The Man Who Would Be Queen (2003). Veel van deze mannen presenteren in de kliniek met een verhaal dat past bij de classieke vroege-onset groep — terwijl de biografie iets anders zegt.
Het kennen van deze typologie is geen aanval. Het is de minimumvoorwaarde om uberhaupt te kunnen beoordelen wat er bij een mannelijke client speelt. Klinieken die deze categorieen weglaten omdat ze ongemakkelijk zijn, leveren slechtere zorg.
Kernpunten
Twee duidelijk verschillende trajecten bij mannelijke clienten
Vroege onset: hoge desistance, meesten worden homoseksueel
Late onset: AGP-component bij meerderheid
AGP is parafilie volgens DSM-traditie, geen identiteit
Klinische beoordeling moet onderscheid maken
Bronnen
Blanchard (1989) — The classification and labeling of nonhomosexual gender dysphorias, Arch Sex Behav
Bailey (2003) — The Man Who Would Be Queen, Joseph Henry Press
Lawrence (2013) — Men Trapped in Men's Bodies, Springer
Steensma et al. (2013) — Factors associated with desistence and persistence of childhood gender dysphoria, JAACAP
Zucker (2018) — The myth of persistence, Int J Transgenderism