In april 2026 verscheen in het tijdschrift BMC Psychiatry een kleine maar opvallende studie. Onderzoekers Pelin Dağ, Bengisu Özçivit Asfuroğlu, Müslüm Kul en Osman Samet Kocaman volgden 32 adolescenten van 12 tot 18 jaar die bij een Turkse polikliniek de diagnose genderdysforie kregen. Ze keken specifiek naar zelfbeschadiging en suïcidaliteit — en naar het verschil tussen jongens en meisjes in die groep.
De uitkomst is stevig genoeg om bij stil te staan. Alle zes meisjes in het onderzoek (100 procent) rapporteerden suïcidale gedachten, tegenover minder dan 4 op de 10 van de 26 jongens (38,5 procent) — een statistisch significant verschil. Ook de ernst van suïcidale gedachten en van zelfbeschadigend gedrag lag bij de meisjes fors hoger: een score van 10,83 tegenover 5,23 bij de jongens op de gebruikte ernstschaal. Hoe vaak zelfbeschadiging vóórkwam, verschilde niet sterk tussen de groepen — maar hoe ernstig het was, wel.
Wat de onderzoekers zelf zeggen
De auteurs zijn zelf voorzichtig met hun bevindingen, en dat voorbehoud verdient een plek in dit artikel net zo goed als het resultaat. Met slechts 6 meisjes tegenover 26 jongens is de steekproef klein en scheef verdeeld; de auteurs schrijven expliciet dat "het beperkte steekproefaantal, en met name het relatief lage aantal vrouwelijke adolescenten, de generaliseerbaarheid van de resultaten kan beperken". De meisjes in de studie waren bovendien gemiddeld ouder (15,5 jaar) dan de jongens (12,9 jaar), en het onderzoek is doorsnede-onderzoek: het meet een moment, geen verloop in de tijd. Psychiatrische comorbiditeit — stemmings- en angststoornissen — verschilde niet significant tussen de seksen, dus dat verklaart het gevonden verschil in elk geval niet.
Dat maakt dit geen bewijs dat elke meisje met genderdysforie een hoger suïciderisico loopt dan elke jongen. Het is een signaal uit een kleine, verkennende studie — en signalen uit kleine studies verdienen navolgend onderzoek, geen definitieve conclusies. Precies daarom is het echter opvallend hoe weinig ruimte dit soort sekseverschillen krijgt in het bredere debat over genderzorg.
Wat hier onder ligt: één cijfer voor twee heel verschillende groepen
De discussie over suïciderisico in de genderzorg wordt bijna altijd gevoerd met één totaalcijfer: 'transgender jongeren hebben een verhoogd suïciderisico', zonder onderscheid naar leeftijd, sekse of onderliggende problematiek. Dat cijfer wordt vervolgens gebruikt om snelle toegang tot medische behandeling te bepleiten — de gedachte dat wachten of twijfelen levensgevaarlijk is. Op Transplek eerder al is uiteengezet waarom die redenering zelf wetenschappelijk wankel staat: onderzoek van de Cass Review, een Fins cohort en BMJ-data laten geen causaal verband zien tussen het uitstellen van medische transitie en suïcide.
Deze nieuwe studie voegt daar een andere laag aan toe. Als de ernst van suïcidale gedachten tussen jongens en meisjes met genderdysforie zo sterk uiteenloopt, dan is een beleid dat beide groepen dezelfde route door dezelfde kliniek laat volgen, gebaseerd op een aanname van homogeniteit die de data niet ondersteunt. Een zorgvuldige diagnostische fase zou dat verschil juist moeten kunnen opvangen — met een individuele risico-inschatting per patiënt, in plaats van een protocol dat uitgaat van 'de' jongere met genderdysforie.
De vergelijking met autisme dringt zich op
Er is nog een patroon dat opvalt wanneer je dit resultaat naast ander onderzoek legt. Net zoals eerder op deze site is beschreven over autisme in de genderzorg, blijkt telkens weer dat de populatie die bij genderklinieken aanklopt, veel diverser is dan het aggregate cijfer suggereert. Autistische jongeren zijn oververtegenwoordigd en lopen een ander risicoprofiel; deze studie laat zien dat sekse mogelijk een vergelijkbare, onderbelichte factor is. Beide bevindingen wijzen in dezelfde richting: generieke uitspraken over 'transgender jongeren' verhullen net zo goed onderliggende subgroepen als ze verhelderen.
Wat dit betekent voor ouders en clinici
Voor ouders van een meisje met genderdysforie is de praktische les niet dat medische transitie de oplossing is voor een hoger risico — die causale stap maakt de studie zelf niet. De les is dat een zorgvuldige, individuele inschatting van suïcidaliteit en zelfbeschadiging onderdeel moet zijn van elk traject, met extra aandacht wanneer de klachten ernstiger zijn, ongeacht wat het geslacht van het kind daarover 'zou moeten' betekenen. Een protocol dat sekseverschillen negeert, loopt het risico juist de jongere te missen die het meest kwetsbaar is.
Bronnen
- Dağ, P., Özçivit Asfuroğlu, B., Kul, M., Kocaman, O.S. (2026). Sex differences in self-harm and suicidal behavior among adolescents with gender dysphoria: an exploratory study. BMC Psychiatry, gepubliceerd 24 april 2026. pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC13244837
- Transplek.nl (2026). De suicide-mythe in genderzorg — wat onderzoek écht laat zien. transplek.nl/artikelen/suicide-mythe-genderzorg-wat-onderzoek-laat-zien
- Genderrisico.nl (2021, herzien 2026). Hoog zelfmoordcijfer onder transgenders — wat de cijfers werkelijk zeggen. genderrisico.nl/artikelen/hoog-zelfmoordcijfer

Nienke Vogelaar
Redactie
Veelgestelde vragen
Betekent dit dat meisjes met genderdysforie altijd een hoger suïciderisico hebben dan jongens?
Nee. De studie is klein (32 deelnemers, van wie maar 6 meisjes) en verkennend van aard. De onderzoekers zelf waarschuwen dat de resultaten door de beperkte en scheve steekproef niet zomaar te generaliseren zijn. Het is een signaal dat om groter vervolgonderzoek vraagt, geen vaststaand feit.
Verklaart dit onderzoek waaróm meisjes hoger scoorden?
Niet direct. Psychiatrische comorbiditeit zoals stemmings- en angststoornissen verschilde niet significant tussen jongens en meisjes, dus dat verklaart het gevonden verschil niet. De onderzoekers noemen zelf geen sluitende verklaring; het verschil in leeftijd tussen de groepen kan wel meespelen.
Wat betekent dit voor de manier waarop klinieken suïciderisico beoordelen?
Het pleit voor een individuele risico-inschatting per patiënt in plaats van één uniform protocol voor 'de' jongere met genderdysforie. Sekse lijkt, net als autisme, een factor die de kliniekpopulatie diverser maakt dan een gemiddeld cijfer suggereert.